Mijn Levensloop

Op het gymnasium te Dordrecht

In de zomer van 1944 slaagde ik voor het toelatingsexamen van het stedelijk gymnasium te Dordrecht. Maar slechts enkele maanden in het begin van het eerste schooljaar konden we nog naar school gaan.
Toen de oorlog voorbij was, kon de draad weer worden opgepakt. Het passagiersbootje ‘De Pelikaan’ bracht ons via de Oude Maas naar de Hooikade in Dordt en vandaar gingen we altijd lopend naar de Johan de Wittstraat waar het gymnasium stond. Het was een kleine gemeentelijke school van ongeveer honderd leerlingen. Maar de school had de eeuwen doorstaan; in 2002 bestond ze 750 jaar.
Levendig herinner ik me de enthousiaste lessen van onze rector, dr. P.J.G.A.(Pjotr) Hendrix. Soms kwam hij naar ons toe, aanstaande theologiestudenten (NB: vier in getal) en vroeg: ‘Zou het ook kunnen zijn, dat Socrates in het voorportaal van het Christendom heeft gestaan? Was hij immers volgens de oude vaders niet de ‘Paidagogos eis Christon’ (de tuchtmeester naar Christus)?’ Rector Hendrix schreef mij eens: ‘Gij gaat een schone, al is het in onze dagen geen gemakkelijke taak aanvaarden, een taak, welke Thomas Aquinas noemt een ‘coöperari Deo in salutem animarum’ (een samenwerken met God in de redding van zielen). Hij besloot zijn brief met de woorden: ‘En gedenk ook later uwen oud-leermeester in den dienst der Gebeden’ (11 Juli 1950).

Het eindexamen gymnasium viel op 1 juli 1950. Wij namen afscheid van elkaar met de zinspreuk van ons gym: ‘chaire kai hugiaine’ – wees gegroet en het ga u goed. Als klasgenoten hebben wij elkaar jaren later nog verschillende keren tijdens een reünie ontmoet; de eerste keer in de befaamde pastorie van Mastland (titel van het bekende boek van C.E. van Koetsveld), toen geen pastorie meer, maar een prachtige villa aan de Binnenmaas, bewoond door een van onze klasgenoten.

Theologiestudie in Utrecht

In 1950 werd ik, na mijn gymnasiumtijd, ingeschreven als student voor de studie aan de Theologische Faculteit van de Rijksuniversiteit te Utrecht. Theologiestudenten waren vrijgesteld van het vervullen van de militaire dienstplicht. Anders had ik zeker meer dan een jaar, als dienstplichtige ingelijfd bij de landmacht (Regiment Limburgse Jagers), mijn studie moeten onderbreken.

Intussen was ik verloofd met een meisje uit Gouda dat ik had leren kennen tijdens een uitwisseling van de jeugdverenigingen van Puttershoek en Gouda, georganiseerd door ds. Korevaar. Deze was inmiddels predikant in Gouda geworden. Van mijn verloofde Maria Jacoba de Wit, die later mijn vrouw is geworden, heb ik in die tijd veel steun ondervonden. Zij bracht mij in contact met gelovigen in Gouda. Veel hebben wij te danken aan wat ons in die periode in de prediking werd meegegeven door ds. G. Boer die in die tijd predikant was te Gouda. Onder zijn gehoor haalden we ons hart op. Hij legde ons Christus voor de voeten en werd niet moe Hem aan te prijzen. Overigens komt mij daarbij ook steeds mijn lieve grootvader van moederszijde (Gerrit van Brummen) die jarenlang bij mijn ouders in huis was, voor de geest. Hij zat daar altijd maar in zijn leunstoel en las de oud-vaders. Veel zei hij niet. Maar in die oud-vaders vond hij teerkost voor zijn levensreis. Dat had hij ook niet van een vreemde. Zijn schoonmoeder (Betje Bloppoel te Vlaardingen), mijn overgrootmoeder dus, kende het nieuwe leven vanaf het moment, dat zij op weg naar de kermis krachtdadig tot bekering was gekomen. Zij was in de gezelschappen van de vromen in die tijd een bekende verschijning.

Wat de studie aan de theologische faculteit van de Rijksuniversiteit te Utrecht betreft: vooral de studie van de Bijbeltalen ervoer ik als van groot nut voor de latere uitoefening van het ambt. Om slechts iets te noemen: de colleges van prof.dr. A.H. Edelkoort, niet in het minst zijn preekschetscolleges waren bij de studenten geliefd, omdat ze ons hielpen een brug te slaan tussen de Bijbeltekst en de prediking, c.q. het geloof van het eenvoudig gemeentelid. Nooit zal ik ook vergeten, wat de diepzinnige prof.dr. Maarten van Rhijn, de irenisch-ethische kerk- en dogmenhistoricus ons meegaf. Hij bond ons op het hart ons met de groten uit de kerkgeschiedenis bezig te houden (Augustinus, Luther, Kierkegaard). ‘Maarten Luther’, zei hij eens, ‘is voor God in elkaar gezakt.’ Daarna stapte hij van achter zijn katheder de collegezaal in, ging vlak voor een student staan en zei: ‘Mijnheer, bent u wel eens voor God in elkaar gezakt?’ Velen met mij waren in de tijd die wij in Utrecht doorbrachten, ook geboeid door prof.dr. A.A. van Ruler. Hij heeft ons als dogmaticus gewezen op de grote betekenis van de Reformatie, maar kon ook met instemming citeren uit de werken van de Nadere Reformatie. En dan gebruikte hij uitdrukkingen als: het recht van God dat in het hart van de zondaar moet worden opgericht.

In 1954 kwam er met het kerkelijk examen een eind aan mijn studie in Utrecht. Na mijn proefpreek (oktober 1954 in de Pieterskerk te Utrecht; over Ezech. 33 : 11) kreeg ik preekconsent en mocht ik gaan ‘oefenen’ op de kansel, her en der in het land. Veel steun had ik intussen gehad aan de preekoefeningen van de Gereformeerde Theologische Studentenvereniging (GTSV) Voetius gedurende mijn studententijd. Daardoor waren als het ware toch vaak de grote lijnen van wat een preek diende te zijn, uitgezet. En op dit studentendispuut zijn er vriendschappen ontstaan die mijn leven lang zijn meegegaan.

In de winter van 1954-1955: het leervicariaat bij ds. A. de Leeuw (Boskoop) en een verblijf van vier maanden in het theologisch seminarie te Driebergen. Predikant worden in de NH Kerk hier te lande is een aangevochten zaak. Maar waar de Heere roept, bekwaamt Hij ook. En wij hadden immers niets meer en ook niets minder te doen dan ‘het Woord van God erin te werpen’ (Kohlbrugge).




<- Jeugdjaren Huwelijk/Veen ->